17 October 2012

Di Antara Orang Karo

Onder de Karo-Bataks

In gezelschap van den besturenden ambtenaar waren wij de nieuwe leiding bij Payong gaan zien, die aan de menschen en de velden dezer van droogte verterende streek water toe zal voeren. Een lange ris vrouwen, den bamboe-schalm op het hoofd, die hier voor emmer, schepper, kan en vat wordt gebruikt, kwam juist het steile paadje van het dorp naar de rivier af. Ons ziende, bleven zij staan. “Eh, zusters, wat zijn dat voor Hollandsche mannen, die met den Toewan Besar zijn meegekomen?” Eene riep terug: “Dat zijn geen mannen, maar vrouwen!”—“O, vriendinnen!, hoor Djaroeng, hoe zij spot! Zij noemt mannen vrouwen!”—“Neen, vaders-zuster, ik spot niet! Die twee zijn werkelijk Hollandsche vrouwen.” Al de vrouwtjes begonnen te lachen. Wat? Geen sarong noch slendang aan, en geen doek op het hoofd, maar een witten hoed, zooals de Groote Heer zelf er een droeg, en op den openbaren weg in zijn gezelschap en in gesprek met hem, en geen last op het hoofd, noch een kind in de draagsjerp, neen, geheel en al niets doende, vrij en frank, voor eigen genoegen gaande naar eigen wil—dat zouden vrouwen wezen? Zelfs de kleine meisjes, wichtjes van een jaar of vijf, zes, die met een nog kleiner [292]wicht op den rug zwoegden, moesten er om lachen.

Zoo zeldzaam zijn nog, daar waar de groote weg ophoudt, de aanrakingen geweest tusschen Hollanders en Bataks.

Er zijn vier stammen van Bataks: de Toba, in de streek rondom het Toba-meer, die voor de bakermat van het volk geldt; de Timor ten Oosten, de Pakpak ten Westen van hen; en in het Noorden de Karo, die voor de meest beschaafden gelden. Onze kritische beschouwsters bij de waterleiding waren Karo-vrouwen.

Het is een demokratisch-gezind slag. Voor de expeditie van 1904 en de regeling der toestanden door het gouvernement leefden zij in hun dorpen onder het gezag van hoofden, die zij zelven kozen en handhaafden zoo lang het hun goed docht. Het beginsel van erf-opvolging bestond; maar sterker dan die theorie was de practijk, die eischte,—en doorzette—dat de best-geschikte hoofd werd. Die geschiktheid bestond in vaardigheid met de tong en vaardigheid met de vuist. Een radja moest welbespraakt zijn. Want elk Karo-dorp had altijd door geschillen met elk ander Karo-dorp, over akkers, over recht van jagen, van visschen, van houtkappen, van weiden en gras-snijden. En die geschillen werden in den raad der dorpshoofden besproken en beslecht. Ieder hoofd trad daar op als advokaat van zijn dorp: het kwam er dus op aan dat hij een goed advokaat was. Verder werden geschillen, die op die vreedzame wijs niet bijgelegd konden, uitgevochten met de wapens. Dat gebeurde veel. Want de uitspraak der hoofden-vergadering was niet bindend; alleen raad-gevend. Wilde iemand dien raad niet aanvaarden, dan zei hij het en trok van leer. In het gevecht van dorp tegen dorp, (dat evengoed particuliere als gemeenschaps-aangelegenheden betreffen kon; want het was in alle dingen één voor allen en allen voor een bij de Bataks), was, [294]alweer, de radja de aanvoerder; daarom kwam het er op aan dat hij een goed soldaat was. Was hij het een en het ander, dan bleven zijn aanhangers hem trouw, en hij behoefde zich weinig te bekommeren om de op erf-opvolging gegronde aanspraken van mededingers. Te Kaban-Djahe, het groote welvarende dorp dat om ligging, zielental en rijkdom door landbezit en opkomenden handel wel kan gelden als hoofdplaats der Karo-Bataks, wonen nog twee hoofden, die het echte type van dien tijd vertoonen, de een vooral vechtersbaas, de andere vooral redenaar; zij zijn bekend onder de teekenende namen van “de Grove” (Pa M’Belgah) en “het Lampje” (Pa Palita) mededingers van oudsher, en natuurlijk, elkanders doodsvijanden. De redetwisten waaruit Het Lampje zegevierend te voorschijn kwam zijn verwaaid. Maar de sporen van de oorlogen door den “Grove” uitgevochten zijn menigvuldig in en rondom Kaban-Djahe.

De lier-vormige “oor-ijzers” en de blauwe kegelkap, daardoor in fatsoen gehouden, vormen een even zonderlingen als schilderachtigen hoofdtooi.
Die oorlogen werden namelijk gevoerd van kleine vestingen en hinderlagen uit. Elke heuveltop die den omtrek van het vijandige dorp overheerscht was een vesting. En hinderlagen werden gemaakt door het graven van een kuil in den ruig-bewassen grond, waarin een man zich staande kon verbergen, tot aan de oogen toe: hij zag en werd niet gezien: wie er aankwam dien schoot hij in de beenen. Er vielen niet vele dooden bij die “oorlogen,” het was veel geschreeuw en weinig wonden. Maar de schade aan veld en vee toegebracht was dikwijls belangrijk. En altijd bestond de kans dat de Atjehers er bij kwamen, wanneer het met zulke schade niet afliep. De Atjehers waren de “condottieri” der Bataks: zij vochten voor eigen voordeel in anderer zaak. Zij kwamen hun hulp aanbieden tegen betaling. De Karo’s waren van die hulp dikwijls gansch niet gediend; maar namen aan, tegen heug en meug, omdat ze niet anders durfden. [296]De Atjehers waren vechtersbazen, hun klewangs sneden vleesch. En als ze de overwinning hadden bevochten betaalden zij zichzelven onpartijdiglijk uit het bezit van bondgenoot en vijand beide. Zoo was het een toestand van voortdurende onrust, van voortdurend gevaar waarin de Bataks leefden. Dat is misschien wel de reden waarom zij zich zoo weinig verzet hebben tegen de annexatie. Terwijl zij bukten voor de macht van den sterkere, begrepen zij dat zulk bukken hun voordeel zou kunnen aanbrengen. Het waren maar enkele dorpen die zich ernstig verweerden. Van de meesten kwamen de hoofden hun onderwerping aanbieden, na niet veel meer dan een schijn van verzet. Eéne voorwaarde echter stelden zij allen, zonder uitzondering, en met den meesten nadruk: de grond moest hun eigendom blijven, dat zonder hun wil niet vervreemd kon worden. Zij wilden geen toestanden als in het benedenland, waar de sultans het land verkochten aan de planters. Toen zij die toezegging ontvangen hadden legden zij zich zonder meer bij de nieuwe toestanden neer. Zij schijnen er tevreden onder, nu. Waarschijnlijk is het betalen der belasting op den duur nog voordeeliger dan de kwade kansen van het oorlogje voeren1. En van de heerendiensten zien zij het resultaat in goede wegen, toenemend vervoer en volle markten.

De hoofdman van Kaban-Djahe, bekend onder den teekenenden bijnaam van Pah m’ Belgah, “de Grove,” vertoont het echte type van dien tijd: dat van den vechtersbaas.
In het begin, trouwens, trachtten zij daar hun vrouwen voor te spannen. De vrouw van den Batak is nu eenmaal zijn werk- en last-dier. Dáárvoor heeft hij haar van haar vader gekocht. En als zij zijn veldarbeid deed, waarom dan niet zijn arbeid in heerendienst? [297]Bij dozijnen stonden de vrouwen te graven, te houwen en te hakken aan den weg. Het werd verboden. Dat gaf een rumoer! En niet, als een Westerling denken zou, onder de mannen alleen, neen, de vrouwen waren het die het luidst protesteerden. Huilend kwamen zij op het kantoor van den ambtenaar. “Ach Groote Heer, heb medelijden! Ach, ach, mijn arme man! Och, och, mijn lieve zoontje! Hij moet werken! werken met een spade! Wij bidden den Grooten Heer, dat wij het mogen doen, zooals het toch de plicht is van ons vrouwen!”—Zij hebben de bakens verzet sedert. Nu kan men ze zien komen: “Mijnheer, wilt u zoo goed zijn en mijn man eens manieren leeren? Hij wil zijn werk niet doen!”

Het eigenlijke werk van den Batak is de akkerbouw. Dat gaat op tamelijk primitieve wijze. Er is op de Hoogvlakte weinig, men mag wel zeggen géén bevloeid land, en even weinig water. De smalle beken loopen door beddingen, diep ingesleten in den lossen tuf-grond. Van de heuvels af gezien lijken het ravijnen, wat donkerder groen van struikgewas en geboomte tusschen het lichte groen van den alang-alang. Er is weinig plaats voor den sawah-bouw van Javanen en Baliërs. De Batak bouwt op drogen grond. In eeuwenlangen roofbouw heeft hij den bodem uitgeput, zoodat bemesting noodzakelijk is geworden. Waar dat wordt ingezien, is een schrede vooruit gedaan op den goeden weg. Daar ziet men over het geheel meer arbeid en zorg besteden aan den grond, en ook beter gereedschap: den ploeg bijvoorbeeld. Maar als hij er kans toe ziet, bespaart de Batak zich die inspanning en maakt een rijstakker door een veld alang-alang of een met struweel begroeide helling in brand te steken. Eenige jaren achtereen geeft de grond hem dan vanzelf vrucht genoeg. Dien bodem ploegt hij ook niet met een kouter. De vrouwen gaan er heen, een heele [298]schaar, van twaalf tot twintig. Op een rij staande, stooten zij aangepunte staven in den grond, bewegen die tweemaal heen en weer, en wrikken, alle tegelijk. Groote schollen aarde worden zoo opgelicht en gekeerd. Daarmee is dan de akker voldoende bewerkt. Het is een zonderling gezicht, zulk een rij den grond “omstekende” vrouwen; met hun lange staken lijken zij lans-draagsters, zich oefenend in een spiegel-gevecht.

De roekelooze wijze van roof-bouwen door het verbranden van gras en struikgewas, die den bodem op zichzelf verarmt—immers de hitte doodt de micro-organismen die hem vruchtbaar maken,—bedreigt ook nog den woudrijkdom, of althans wat van den vroegeren woudrijkdom is overgebleven, der streek. Zoodat toestanden te vreezen zijn als waaronder tegenwoordig Italië lijdt—vermindering van regenval, en, bij het neerkomen van buien, wegspoelen der teelaarde door de nergens tegengehouden waterstroomen. Dit, om nog te zwijgen van het gebrek aan timmer- en aan brandhout. Maar de Batak is, als in het algemeen de natuur-mensch, zorgeloos. En zelfs strenge straffen helpen maar weinig tegen een kwaad dat zijn gemak dient.

De rijst op droge gronden groeiend eischt de zorgen niet die de in moerasbed geteelde behoeft. Zij kan aan zichzelve overgelaten tot den tijd van rijp worden. Dan komen wakers om de rijstdiefjes te verjagen. En over het veld wordt een net van touwen gespannen, dat door een enkelen ruk van het wachthuisje uit, in beweging kan gebracht. Bonte lappen fladderen er aan; bamboe-schalmen geven klappend en fluitend geluid, de boer loopt er langs en schreeuwt vervaarlijk. Het ligt niet aan het rumoer, wanneer de rijstdiefjes niet, verschrikt, zéer verre blijven.

Het oogsten is voor het heele dorp het groote feest [299]van het jaar. Daarvan blijft niemand weg. En de scholen laten de kinders vrij om te gaan helpen.

De korrels worden, op den akker zelf, uit de aar gedreven, doordat de oogsters ze met de voeten treden. Dan scheppen de vrouwen alles in een vlakke mand die zij op het hoofd tillen: gaan in den wind staan, en laten, vooroverbuigend, korrels, kaf, onkruid, aarde, alles in een langzamen scheut ter aarde vallen. De wind die er door blaast, voert den lichten afval mee; en de korrels vallen op een hoop.

In den avond komt men de vrouwen tegen met gevlochten zakken vol rijst op het hoofd. Het stampen in het gemeenschappelijk blok is de voltooiing van den arbeid.

Er kan rijst genoeg groeien in de Karo-streek om de bevolking te voeden en nog een zekere hoeveelheid te exporteeren ook. Maar daarvoor zouden andere methodes noodig wezen, en vooral, beter gereedschap. Dat echter zal de Westerling er moeten brengen.

Hoewel nog altijd in de eerste plaats landbouwer, begint, sedert er wegen door zijn land zijn aangelegd, de Batakker al meer en meer handelsman te worden. Op den grooten weg, dien de vereende arbeid van planters, gouvernement en zelfbestuur heeft aangelegd van Medan naar de Hoogvlakte, gaan dag en nacht de Bataksche karren heen en weer, die rijst, groenten, aardappels en vruchten naar Medan brengen en van de stad terugkomen met petroleum, gedroogde visch, geweven goederen en allerlei steedsche waar, vroeger onbekend in de Batak-dorpen en tegenwoordig dagelijks gebruikt. Lucifers, bijvoorbeeld. De ouderwetsche manier was (evenals bij ons) vuur slaan met een vuursteen en een stukje metaal, en de vonk opvangen in een soort tondel. Op de markt van Kaban Djahe heb ik een oud wijfje vinden zitten, dat kleingeklopte vuursteenen [300]te koop had en gezien hoe klanten die kochten en zorgvuldig wegborgen in de lange lederen rol met een zilveren ketting omsnoerd, waarin een Batak al zulk klein gerief bij elkaar houdt; en den zilversmid van het dorp heb ik met zulk een vuursteen en tondeldoos den houtskool-oven zien aanmaken, waarin hij zilver ging smelten. Maar het jonge volk weet daar niet meer van: het gebruikt lucifers. Op diezelfde markt, die “tiga,” van gepraat zoemende als een bijenkorf, zoodat men haar hoorde nog eer men haar zag, verborgen als zij lag binnen een kring van uitgespannen karren, waaromheen de room-witte, bultige Bengaalsche trekossen het wreede gras liepen af te weiden, her en der, tusschen kittige Batak-hitjes in,—op diezelfde “tiga,” waar het oude wijfje zat met haar klein-geklopte vuursteenen, had een jonge Batak een heele uitstalling van lucifersdoosjes, smaakvol geschikt tusschen pakjes sigaretten in. De lucifers kwamen uit Japan. Daar had men den ouden en den allernieuwsten tijd vlak naast elkander.

Met vele andere Bataksche dingen gaat dat als met de lucifers en de vuursteenen. Het oude handhaaft zich nog, maar het nieuwe wordt met den dag sterker. Daar gaan, over de heuvels, de oude “Batakpaadjes,” de zonderlinge weggetjes die soms een heelen voet diep in den grond zijn ingesleten, zoodat men er in loopt als met geboeide enkels: langs die paadjes houdt het oude zijn oude sleur. Maar reeds komen er aan, en aldoor komen zij dichter bij, en reeds is hun gang aangewezen, de diepten van het binnenland in, reeds komen er aan de groote wegen, breed dat karren er op rijden kunnen, en verhard, sommige, tegen wegsleurend geweld van regenbuien: en langs die wegen houdt het nieuwe zijn intrek. Men zou, met de oogen op den grond, kunnen zeggen, wat van de twee in een streek te [301]vinden is. Wel te verstaan, doen niet alle groote wegen zoo goeden dienst: die van Koeala naar Koeta Tani, die tegen het advies in van de meeste ambtenaren der streek door de regeering is doorgezet, en wel ten koste van twaalf ton, loopt door een verlaten streek, ten gerieve van heen en weer marcheerende soldaten alleen. Maar daarentegen zal er nu een gemaakt worden, die de Bataklanden, door den Medanschen weg reeds met de Oostkust verbonden, ook met de Westkust verbindt. Van Pamatang Si Antar, het opkomende cultuur-centrum in het land der Timor-Bataks (waarheen van Medan uit een spoorlijn geprojecteerd is), zal die weg gaan, in aansluiting bij een reeds bestaanden, maar die noodig verbeterd moet worden, door Z.O. Tapanoeli, naar Balige, aan den zuidelijken oever van het Toba-Meer, en vandaar dwars over het gebergte en door het land der Toba-Bataks naar Siboga. Daarmee zal dan het geheele cultuurgebied in Noord-Sumatra één geworden zijn, en de stroom van handel en verkeer langs vrije banen kunnen vloeien.

Wat de toch nog zoozeer gestremde en belemmerde beweging tot nu toe al gedaan heeft, merkt men aan kleine dingen en aan groote beide. De Bataks hebben van Westersche instellingen er dadelijk vier overgenomen, met ware geestdrift: lucifers, parapluies, naaimachines en de gramofoon. Men komt geen Batak op reis tegen, hetzij man of vrouw, anders dan met een parapluie op het hoofd gedragen—zoo’n echte dikke “besteedster.” Op elke tiga zit de “toekang mesjien,” de reizende kleermaker, die met een Wheeler en Wilson op het hoofd van de eene tiga naar de andere wandelt, overal met ongeduld verbeid, en been-kruiselings zich neerzet in de schaduw van een uitgespannen ossenkar om badjoes en broeken in elkaar te flansen en om de blauwe jakjes [302]van Bataksche nufjes te versieren met rijen lichtblauw stiksel. Wat de gramofoon aangaat, die is in de Doesoen (de “kolonie” eigenlijk, dorpen, van het centrale Batakgebied uit gesticht in het lagere land), in de Doesoen geloof ik, meer in gebruik dan op de eigenlijke hoogvlakte: de Doesoen-Bataks zijn in alle opzichten meer ge-europeaniseerd dan de bergmenschen, doordat zij meer met Westerlingen in aanraking komen. Maar te Medan kan men de Bataksche handelaars van “boven” in getale zich zien verdringen rondom de open deur waaruit een gramofoon zingt, lacht, praat en schreeuwt. Hoe meer geweld hoe mooier! Vuur; beschutting tegen den regen; sieraad; luidruchtige vroolijkheid: dat hebben de Bataks om te beginnen gekozen uit de mars van den grooten kramer: Europa.

De Doesoen-Bataks ook al betere dingen: bijvoorbeeld betere ideeën omtrent schoonheid en hygiëne. De Bataksche adat eischt, evenals de Javaansche, het afvijlen van de tanden: volgens Kruyt (Het Animisme in den Indischen Archipel) een uiting van het algemeen onder animistische volkeren verbreide idee, dat de geesten der afgestorvenen afgunstig zijn op de levenden, om dat groote geluk van het leven, dat zij moeten missen; en dat hun afgunst gepaaid moet worden met het ten offer brengen van kleine gedeelten van de levende persoonlijkheid; weshalve ook de overblijvende tandstompjes zwart gemaakt moesten worden om ze aan de naijverige geestenblikken te onttrekken en den mond geheel tandeloos te doen schijnen. Dat afvijlen van de tanden is een barbaarsche proceduur, gruwelijk pijnlijk, hoewel de gepijnigden, meisjes zoowel als jongens, er een eer in stellen, de urenlange marteling te verdragen zonder een kik te geven. En de ergste ontstekingen en ziekten in de van het beschermende email ontbloote tanden zijn er [303]natuurlijk het gevolg van. Onder den invloed der gaaftandige Westerlingen beginnen nu de Doesoen-Bataks te breken met dien adat. Een gaaf en blank gebit, vroeger voor “honden-tanden” gescholden, vindt nu al zijn bewonderaars onder jonkvolk.

Veel is op dit punt van hygiëne te danken aan de zending, die onvermoeid is in den strijd tegen vooroordeel en vuiligheid. Er is wat te doen, op dat gebied, onder de Bataks! Hun dorpen zijn ware broeinesten van besmettelijke ziekten: cholera, typhus, pokken, allerlei walgelijke uitslag, lepra zelfs en nog andere verminkende kwalen. Elk huis staat om zoo te zeggen boven zijn eigen mesthoop. Dat dat niet zoozeer in het oog valt, is alleen te danken aan de varkens. De gevolgen kan men zich voorstellen. Veel is er al verbeterd sedert de vaccinatie is ingevoerd, wat in 1894 in de Doesoen, 1904 pas op de Hoogvlakte gebeurde. De Batak, die zeer gesteld is op een gave, gladde huid, en de pokkenlitteekens verafschuwt, greep het middel tegen de gevreesde ziekte aan. Maar op andere punten is hij niet zoo licht te overtuigen geweest. En van wat te dien opzichte is verbeterd, komt de eer grootendeels toe aan de zending. Een zendingshuis hier is een kliniek, een apotheek, een consultatie-kamer. Tweemaal dagelijks zag ik te Kaban Djahe de zieken daarheen gaan. Zij kwamen met klachten, kwalen en wonden, en gingen getroost en geholpen weer heen. De zending heeft ook een asyl opgericht voor de leprozen; zonder tegenstand laten de ongelukkigen zich daarheen brengen. Op dat punt is de Hoogvlakte er beter aan toe dan Medan, waar de leprozen in al hun afzichtelijke verderfelijkheid vrij door de straten loopen. Het gouvernement geeft hierin de zending steun—en niet zonder dwingende noodzaak: want behalve dat de sterke arm der politie nu en dan toch en terdege noodig is om orde [304]te houden onder de melaatschen, is ook de geldbuidel van den staat noodig om aan hun onderhoud tegemoet te komen. De familie der lijders namelijk laat hen gewoonlijk aan hun lot over: het eerste medelijden, dat dringt tot het brengen van eten aan den balling uit het gezin, verflauwt nog al spoedig. Medelijdend zijn de Bataks nu eenmaal niet, of, althans, niet lang achtereen. Als een moeder bij de geboorte van haar kind sterft (het gebeurt nog al eens) begraven zij doode moeder en levend kind te zamen. Een zendelingsvrouw, die ik leerde kennen, redde een paar van de kleine slachtoffers, verhongerd en half-dood al, en koesterde ze weer gezond. Toen dat bekend was geworden, brachten de Bataks haar van links en rechts moederlooze kinders in huis. De eigen families schoven den last bedaard van zich af. Vlak daartegenover staat de hulpvaardigheid, die Bataks elkander in het algemeen bewijzen, en ook de hooge eer waarin zij het moederschap houden, en hun wensch naar kinder-rijkdom, die tot uiting komt in allerlei al lang tot vaste gezegden en gemeenplaatsen geworden heilwenschen bij elk huwelijk gedaan, en in het stereotype slot van oude verhalen: zij leefden gelukkig en hadden zeer vele kinderen. Er zijn wel meer van die tegenstellingen in het Batak-karakter, moeilijk te begrijpen voor den vreemdeling: de verslagen van het Zendinggenootschap bewaren voorbeelden bij menigte ervan, zooals zij trouwens over het geheel een rijke bron van kennis zijn voor het zedelijk en verstandelijk zoowel als voor het stoffelijk leven van dit volk.

De zending, die sedert 1890 onder de Doesoen Bataks en sedert 1905 op de Hoogvlakte werkt, heeft ook het onderwijs in de hand genomen en wordt daarbij door de regeering met groote subsidies gesteund. De bewondering, die de zelfopofferende arbeid [305]der zendelingen voor het lichamelijk welzijn der Bataks en voor wat zij het geestelijk heil van dit volk achten, van elken onpartijdige vergt, behoeft hem niet te dwingen tot medegaan met hun en der regeering gedragslijn op het gebied van het onderwijs. Het onderwijs is voor de zending, uit den aard der zaak, een middel om het christendom ingang te doen vinden: niets minder, maar ook niets meer. Daardoor wordt het van het doel op zichzelf, dat het behoort te zijn, een middel en van hoofdzaak een bijzaak. Bij dit principieele bezwaar komt nog een practisch, op zichzelf al voldoende, om de beste bedoelingen en de ijverigste pogingen te verijdelen: gebrek aan onderwijzers. De zending is begonnen met zooveel mogelijk scholen te bouwen, en in die scholen, waarvoor zij geen onderwijzers had, als schoolmeesters inlanders te plaatsen die zoowat konden lezen, schrijven en rekenen. In het beste geval waren het kweekelingen uit de zendingsschool in de Minahasa. De onvoldoende getallen werden aangevuld zoo goed en zoo kwaad als het ging. Gewoonlijk ging het kwaad. Waar zouden opeens de leerkrachten vandaan gekomen zijn? Als er dus een getal van 46 scholen met een bevolking van 3677 leerlingen genoemd wordt in officieele verslagen, zijn het geen “scholen” noch “leerlingen” in den zin dien men gewoon is aan die woorden te hechten. De zending inspecteert haar scholen en de inspecteerende ambtenaar van het inlandsche onderwijs heeft het oppertoezicht. De ambtenaar, onder wien de Hoogvlakte ressorteert, heeft ongeveer honderd gouvernementsscholen op ver uiteen gelegen plaatsen te inspecteeren; en van andere, waaronder die der Bataksche zending, ongeveer zeshonderd, eveneens her en der verspreid. De zendelingen op de Hoogvlakte zijn met hun drieën (een vierde, die hulp-onderwijzer is, heeft voor uitsluitend [306]werk de vorming van inlandsche onderwijzers aan een nieuw opgerichte kweekschool) en hebben met hun drieën de zorg voor een bevolking van 130.000 zielen. Uit die getallen make men zich een voorstelling van den toestand; dan zal men er niet verbaasd over staan dat bij een examen voor de locale schoolcommissie van uit de zendingsscholen voortgekomen aspirant-onderwijzers werk te voorschijn komt, o.a. in sommetjes—optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen met heele getallen,—dat niet anders bewijst dan de eigen, dringende behoefte aan onderwijs van het overgroote meerendeel dier onderwijzers-in-hope. Er bestaat nu een kweekschool. De jongens die daar komen, leerlingen van de zendingsschooltjes, hebben na het verlaten van die scholen een paar jaar in den kampong rondgeloopen (hun ouders en zijzelven verkiezen dat zoo) en moeten weer van voren af aan beginnen. Aan het hoofd van de school staat een Hollander, een zendeling, die de akte van hulponderwijzer heeft. Die hulponderwijzer is de eenige, zegge de eenige, Hollander in die geheele menigte van “onderwijzers,” zijnde en wordende. Bij zulke toestanden vermogen persoonlijke eigenschappen, ook de voortreffelijkste en zeldzaamste, maar weinig. Tenzij de regeering met der regeering krachten doe wat der regeering is, zal van de beschaving, die in den vorm van onderwijs van Nederland uit moet gaan, aan den Batak niet veel ten goede komen. [307]

1 Belasting in geld: progressief van 2½ % voor een inkomen per gezin van ƒ 50 in ’t jaar tot 4½ % voor een inkomen van ƒ 630 en daarboven. Heerendiensten 40 dagen per jaar als maximum: 4 daarvan zijn voor de hoofden. Bij wegenarbeid wordt de nacht op het werk doorgebracht gerekend voor ½ dagarbeid, in de practijk is het maximum 24.


Source : Gutenberg.org

Natuur en Menschen in Indië
The Project Gutenberg EBook of Natuur en Menschen in Indië, by Augusta de Wit

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
  
Title: Natuur en Menschen in Indië

Author: Augusta de Wit

Release Date: March 6, 2009 [EBook #28259]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUUR EN MENSCHEN IN INDIË ***
  
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

No comments:

Post a Comment